
|
|
|
|
|
Reeds bij het begin van de eeuw waren er studies uitgevoerd omtrent de mogelijkheden om Hoeilaart
van leidingen met drinkbaar water te voorzien. In de jaren 1910 werd er zelfs overwogen om vanuit
Hoeilaart ook een deel van Overijse (Jezus-Eik en het centrum) te bedienen. In dat verband was er
sprake van "een intercommunale wateruitdeelingsdienst". Uiteindelijk besloot de gemeenteraad van
Overijse in zitting van 14 februari 1913 een eigen, afzonderlijk project uit te werken, dat haar
hele, uitgestrekte grondgebied van water zou kunnen voorzien. De eerste wereldoorlog heeft het Hoeilaartse watervoorzieningsproject ongetwijfeld vertraagd. Na de oorlog werden de plannen weer uit de kast gehaald. Het project dat tenslotte werd uitgevoerd, dateert uit de jaren 20 en werd begin jaren 30 voltooid. De ‘ontwerper’ van het Hoeilaartse watervoorzieningsproject was architect Raymond Foucart uit Schaarbeek. De werken vielen uiteen in verschillende onderdelen (watergalerij, pompstation, pompinstallaties, reservoirs, watertoren, leidingen) en voor elk van deze "loten" stelde hij in de loop van de jaren 20 erg gedetailleerde lastenboeken op. De Technische Dienst van de Provincie Brabant, die een deel van de kosten van dit project op zich nam, hield, samen met de gemeente, nauw toezicht op alle plannen en op het verloop van de werken. Architect Foucart was in die periode erg bedrijvig in Hoeilaart: het was ook hij die in 1928 de plannen van de nieuwe gemeenteschool tekende.
Oorspronkelijk werd het water gewonnen via een filtergalerij (3,65 m diepte), waarin het water van verschillende bronnetjes samenkwam. De eindoplevering van deze galerij, die zich achter het ‘ gebouwtje van de waterwinning’ bevond, had plaats op 26 april 1923. In 1970 werd de galerij vervangen door vier putten (1 put van ca. 11 m diep en 3 van ca. 15 m diep). In 1982 werd een bijkomende put van 45 m geboord. In 1998 werden aan de overkant van de Koedaalstraat nog eens drie nieuwe putten van 50 m diepte in gebruik genomen. Momenteel wordt ons drinkwater dus gewonnen uit 8 putten (tussen 11 en 50 m diep). Deze putten zijn uitgerust met dompelpompen d.w.z. onder het wateroppervlak werkende pompen die met het niveau van het water op en neer gaan. Het water dat uit de grond wordt opgepompt, wordt vervolgens opgevangen in twee ondergrondse reservoirs (inhoud: 118 m³ en 156 m³). De onderwaterpompen van de drie nieuwe putten zijn verbonden met de reservoirs van het bestaande pompstation. De productie van de bestaande winning werd verminderd en het water van de beide winningen wordt gemengd. Hiermee wordt geanticipeerd op de mogelijke verlaging van de drinkwaternormen inzake het maximum toegelaten nitraatgehalte. Het lastenboek voor het gebouwtje (opgesteld in 1928 en door de Gemeente en de Provincie goedgekeurd in oktober 1930) geeft een precieze beschrijving van de materialen die voor de bouw ervan moesten gebruikt worden: de buitenkant van de "wateropvoerwerktuigencentrale" moest gemetst worden in baksteen uit Waterloo of Tubize, de "gladde banden" in witte baksteen uit Kortrijk of Silezië, de versieringen rond vensters, deuren en op de hoeken in hardsteen "petit granit" van Soignies en het overige metselwerk in plaatselijke baksteen van de allerbeste soort. De werken werden uitgevoerd door aannemer Emile Vlaeminck uit Loker (W-Vl) en compleet beëindigd op 14 januari 1933. De pompinstallaties, die zich in het gebouw bevinden, werden van in het begin aangedreven door elektriciteit. Op 27 december 1932 sloot het gemeentebestuur een contract af met "la Compagnie Auxiliaire d’ Electricité S.A."(Persstraat 8, Brussel) voor de levering van elektriciteit. In 1970 werden de installaties volledig geautomatiseerd. De pompinstallaties pompen het water uit de reservoirs van het waterwinningsgebied naar de hoger gelegen distributiereservoirs in de Keizerstraat en in de watertoren. Zij besturen het ganse systeem. Wanneer het waterpeil in de distributiereservoirs onder een bepaald niveau zakt, slaan de pompen automatisch aan. In geval van defect of watertekort, wordt er ook automatisch alarm geslagen. Bovendien worden de pompinstallaties tweemaal per dag door het personeel van de Gemeentelijke Waterdienst gecontroleerd. Tijdens de weekends is er hiertoe een wachtdienst voorzien.
Om de hoger gelegen huizen op de heuvelring rond de kom van het centrum van water te voorzien, moest er een watertoren (in feite een reservoir op stelten) worden gebouwd. Dit project werd in november 1930 toevertrouwd aan de firma MIRTABÉTON (studiebureau en bouwonderneming van dhr. M. Mihrtadiantz, gevestigd te Vorst en gespecialiseerd in industriële constructies en gewapend beton). Het lastenboek, opgesteld door architect Foucart, bepaalde dat er bijzonder veel belang zou gehecht worden aan "den bouwtrant" of "caractère architectural" van de ingediende projecten, vermits de toren in een woonwijk zou komen te staan. Binnen de gestelde bouwtechnische eisen, was het dus aannemer Mihrtadiantz die het solide, moderne uitzicht van de toren bepaalde. De toren is van het ‘paddestoeltype’ en heeft een piramidale voet. De betonnen kuip, met dubbele wand, wordt ondersteund door acht betonnen balken, verbonden door dwarsbalken. Middenin loopt een betonnen draaitrap naar boven. Voor de bouw van de toren had de Gemeenteraad in zitting van 7 april 1931 besloten 60 are grond aan te kopen op de Molenberg. Ongeveer 5 are werd gebruikt voor de bouw van de toren zelf. Van de rest ging in 1933 een deel (36a11) naar het Volkswelzijn, die het voor sociale woningbouw gebruikte. In een brief van 16 augustus 1934 laat het Gemeentebestuur aan de Technische Dienst van de Provincie Brabant weten dat de watertoren "in staat van eindaflevering" is. In feite, zo blijkt uit een brief van dhr. Mihrtadiantz aan het College van Burgemeester en Schepenen, was de toren reeds sinds eind 1932 in gebruik. Het aanslepen van de eindoplevering had te maken met "retouches" die dienden te gebeuren aan het buitenste omhulsel van de kuip, dat niet geheel tegen regenwater bestand scheen te zijn. In november 1931 waren de waterleidingen voltooid en in de loop van 1932 kon men geleidelijk tot de particuliere aansluitingen overgaan. Het water liep uit de kraantjes te Hoeilaart!
Met de bedoeling een volwaardige stem te hebben in het zgn. Vlaams Wateroverleg, hebben een aantal kleinere intercommunales en gemeentelijke waterdiensten een Intercommunaal Samenwerkingscomité van Waterbedrijven (ISWa) opgericht. Samen met de gemeentelijke waterdiensten van Heusden-Zolder, Tongeren, Ieper, Sint-Niklaas, Oudenaarde, Knokke-Heist, de Intercommunale Watermaatschappij van Veurne-Ambacht en de Vereniging van Limburgse Waterbedrijven, is Hoeilaart sinds 1997 bij het ISWa aangesloten. Naast het behartigen van de gemeenschappelijke standpunten, kunnen de leden van het ISWa op administratief en technisch vlak op onderlinge raad en bijstand rekenen. CIJFERSSamenstelling: Infodienst, op basis van documenten uit het Gemeentelijk Archief en van informatie verstrekt door de Gemeentelijke Waterdienst zelf. V.U.: Geert Raymaekers, Gemeentesecretaris - Hoeilaart, mei 1999. |
||
|
|
|